Dutch text follows. Sorry for the bad ponctuation. It’s probabily an excerpt scanned from the book : « De jurisdictie-geschillen tusschen het Hof van Holland and de Magistraat van Den Haag », van der Schueren, between 1902 and 1907. If you, reader, know the exact reference, please let me know.
Een kleine twintig jaar later werden de gemoederen weder in beweging gebracht door een ander geschil Twee Leidsche studenten Daniël van Pierre een adellijk jongmensch uit Hamburg en een Deen genaamd Pels kregen twist en reden om dien te beslechten op 16 October 1690 met hunne secondanten naar het Haagsche bosch waar nabij het Huis ten Bosch een duel plaats had Van Pierre kreeg een doodelijke wond aan den hals en werd door zijn secondant Appel naar den Haag vervoerd en gebracht in de woning van den stalhouder Jan van Son alwaar hij onder het aanleggen van het eerste verband overleed De Baljuw die het eerste bericht kreeg spoedde zich naar de woning van Van Son bezag het lijk en plaatste er een paar dienaars bij om het te bewaken Maar bijna tegelijkertijd kreeg ook ook de Procureur kennis van het gebeurde zoowel van den chirurgijn die het verband had gelegd als van den Heer Hunneken resident van Hamburg in den Haag de laatste verzocht tevens het Hof om de zaak te vervolgen Het Hof benoemde Raden Commissarissen om de zaak te onderzoeken en de lijkschouwing te doen plaats hebben en bepaalde tevens dat vier dienaren van den Procureur Generaal zouden worden aangewezen om het lijk te bewaken uit vrees dat de Baljuw het in stilte zoude weghalen Toen de dienaars van den Proc Gen ten huize van Van Son aankwamen en bevonden dat de Haagsche dienders niet genegen waren hun post bij het lijk te verlaten zond de Drossaard nog meer dienaren derwaarts die nu met hun reeds vroeger aangekomen kameraden de Haagsche dienders feitelijk dwongen om de kamer te ver laten hoewel zij zich toch in het huis bleven ophouden Tevens werd de Baljuw op het Hof ontboden het schijnt dat men in dit geval al bijzonder beangst was dat de Magistraat de lijkschouwing zoude doen verrichten en de zaak onderzoeken De Baljuw kreeg de aanzegging dat hij onbevoegd was om de zaak te vervolgen zoowel wegens den persoon van den dader en van den verslagene als wegens de plaats waar het misdrijf plaats had gehad dat hij dus niets meer in de zaak mocht doen en zijn dienaren uit het huis van Van Son moest terugroepen als dit geschied was moest hij rapport aan het Hof komen doen De Baljuw beloofde aan alle verlangens der Raden te zullen gevolg geven maar nadat hij hiervan kennis had gegeven aan den Magistraat en deze hem verboden had om aan de bevelen van het Hof te gehoor zamen moest hij aldaar in plaats van rapport te doen komen verklaren dat hij zijn belofte niet konde houden omdat Schepenen hem dit uitdrukkelijk verboden hadden De Raden Commissarissen waren begrijpelijkerwijze over dit antwoord hoogst verstoord en gaven den armen Baljuw nu te verstaan dat hij zoo hij wilde gehoorzamen konde aan de bevelen der Schepenen maar dat hij daarbij niet uit het oog moest verliezen dat niet deze maar het Hof bevoegd was om te procedeeren tegen Officieren die in hun ambt misdeden zelfs door schorsing De Baljuw zat dus nu tusschen twee vuren aan de eene zijde moest hij aan Schepenen gehoorzamen aan de andere zijde dreigde het Hof hem met schorsing in zijn ambt zoo hij zulks deed Gelukkig voor hem werd hij uit zijn neteligen toestand gered door een derde partij die eveneens het lijk wilde hebben Den volgenden dag kreeg het Hof een missive van den Academischen Senaat der Hooge School te Leiden met den eisch om het lijk van Van Pierre over te geven aan den pedel Van der Wulp en het onderzoek over te laten aan den Senaat overeenkomstig het privilegie der Universiteit Die brief was vergezeld van eene memorie van den Hamburgschen Resident die nu de vordering van den Senaat ondersteunde Het Hof greep gretig de gelegenheid aan om uit de moeielijkheid te geraken waarin het zich bevond en schreef onmiddellijk ter zijde van de memorie van Hunneken eene apostille waarbij de eerste deurwaarder werd gerechtigd om het lijk aan den pedel over te geven en gelast om aan Schepenen aan te zeggen dat zij dit hadden te gehengen en te gedoogen وو De Deurwaarder deed eerst zijn exploit aan den President Schepen en spoedde zich toen naar de woning van Van Son waar hij behalve de dienders die daar reeds twee dagen waren nog daarenboven den Drossaard met 4 andere dienaars vond die gezamenlijk den pedel de gelegenheid gaven om het lijk uit het huis te halen en naar een gereedliggend jacht over te brengen dat terstond naar Leiden wegvoer Dit alles ging zoo snel te werk dat de Substituut Schout die door den President Schepen onmiddellijk na ontvangst van het exploit met eenige dienaren naar het Zieken was gezonden om den boom bij het Leprozenhuis te sluiten en alzoo het jacht met het lijk te beletten den Haag te verlaten daar eerst aankwam toen het vaartuig reeds voorbij was gevaren Toen zooals boven is gemeld de Baljuw aan Schepenen zijn wedervaren op het Hof medegedeeld had verzochten deze terstond eene conferentie aan het Hof dat een ontwijkend antwoord gaf maar intusschen de machtiging van het vervoer van het lijk door den pedel liet in orde maken Zoodra dit aan Schepenen was bekend geworden zonden zij twee uit hun midden naar den Raadpensionaris om hem op de hoogte van den toestand te brengen daar zij geen kans zagen om ZOO maar in eens een uitvoerig rekest aan de Staten in gereedheid te brengen Terwijl die twee Schepenen zich naar den Raadpensionaris begaven zetten de anderen zich aan den arbeid om het rekest te schrijven maar voordat dit nog gereed was vernamen de Schepenen dat het lijk reeds naar Leiden was vervoerd Toch werd het rekest den 19 October 1690 aan de Staten gezonden al kon het ook geen praktisch resultaat meer hebben de rechtskwestie der competentie kon toch worden uitgemaakt De Staten stelden het stuk in handen van het Hof om advies maar dit maakte geen haast want op 29 Maart van het volgende jaar schreven de Staten het Hof nog eens aan om het gevraagd bericht te ontvangen dit schrijven werd eerst den 30 Juni 1691 door het Hof in behandeling genomen waarna het antwoord op beide brieven op 25 Juli aan de Staten werd verzonden Het motief waarop de Magistraat zijn rekest steunde was dat het lijk van een onbekende was gevonden in het huis van een Haagsch burger waarover dus het Hof geene rechtsmacht had het Hof stelde daar tegenover dat de verslagene zoude zijn een Edelman dat de dader niet was onderworpen aan de rechtsmacht van de Haagsche Schepenbank en dat de misdaad was gepleegd in het Haagsche Bosch en dus op een grond waarover Schepenen van den Haag geen rechtsmacht konden pretendeeren 1 De Staten lieten de zaak eenvoudig rusten zooals ik boven zeide had zij haar praktisch belang verloren en de Staten hadden volstrekt geen neiging om inge wikkelde jurisdictie quaesties op te lossen In 1697 beklaagden de Schepenen zich bij de Staten dat zij in deze zaak nog geene beslissing hadden genomen Enkele jaren later ontstonden er wederom geschillen en wel in 1697 en 1699 beide van denzelfden aard In Augustus 1696 was Pieter Gerkas knecht van den Heer Benthem gecommitteerde in de Staten Generaal wegens Overijssel s nachts in het Voorhout vermoord De onderschout Van der Dussen deed het lijk opnemen en overbrengen in het zoogenaamde luihuis onder den toren der Groote Kerk alwaar het ten overstaan van Schepenen werd geschouwd Toen het Hof dit vernam moest de Baljuw voorkomen en werd hem onder het oog gebracht dat hij geen jurisdictie had over het Voorhout den Vijverberg den Kneuterdijk en andere plaatsen behoorend tot den fundus fiscalis waarop de Baljuw antwoordde dat hij hierin de bevelen van den Magistraat zoude opvolgen De Raden Commissarissen weinig gesticht over dat antwoord waarschuwden hem dat hij goed moest weten wat hij deed want dat hij bij herhaling van dergelijke overtredingen van zijne bevoegdheid zoude worden geschorst en dat hij verantwoordelijk was voor de handelingen van zijne substituten en dat voortaan de personen die hij zoude hebben in het werk gesteld om zulke onrechtmatige daden te plegen zouden worden gevangen gezet. Met die vermaning was de zaak uit Toen echter een jaar daarna op 30 Augustus 1697 dezelfde substituut schout een kinderlijkje dat op den Vijverberg was gevonden opnam en naar het Stadhuis bracht waar het door den doctor en chirurgijn van den Haag werd geschouwd toen besloot het Hof aan zijne bedreigingen gevolg te geven maar de zaak werd zonder overhaasting behandeld zooals toen gebruikelijk was Op 2 October besloot het Hof een notificatie te doen aanplakken waarbij eene premie van ƒ 300 werd beloofd. Later beklaagde de Magistraat er zich aan de Staten over dat het Hof op deze wijze den Baljuw had trachten vrees aan te jagen om aldus de rechtsmacht over den fundus fisci aan zich te kunnen trekken. De Baljuw toch zou niet tegen de bevelen van het Hof durven handelen omdat hij in zaken van afpersing of afdreiging voor het Hof zou moeten terechtstaan. De Heeren van den Haag schijnen geen hoogen dunk te hebben gehad van de eerlijkheid van den Faljuw aan dengene die den dader van den kindermoord zoude aanwijzen. Voorts werd de Drossaard de Jeude in raad kamer geroepen waar hij bevel kreeg om den Substituut Schout van der Dussen op de stilste en civielste wijze aan te houden en op de Voorpoort te brengen. De notificatie werd aangeplakt maar reeds den 5 October door de boden van den Haag afgescheurd en vervangen door eene andere uitgaande van Burgemeesters en Schepenen die ook op het Binnenhof en aan de Kastelenij werd aangeplakt Den gen October werd Van der Dussen op de Voor poort opgesloten en toen dit aan den Magistraat bekend was geworden gingen nog denzelfden avond de Pensionaris en de Secretaris van den Haag naar den President van het Hof om hun de reden te vragen van de arrestatie van hun ambtenaar De President vond geen grond om aan zijn bezoekers een afdoend antwoord te geven waarop Schout Burgemeesters en Schepenen zich tot de Staten van Holland wendden met een rekest waarin zij de tusschenkomst der Staten inriepen Den dag na zijne aanhouding werd de Onder Schout door de commissarissen der Rol ondervraagd het Hof had toen terstond eene beslissing kunnen nemen maar dit geschiedde niet Van der Dussen bleef op de Voor poort zijn vonnis afwachten en zat daar nog den II October op welken dag in den avond de Raadpensionaris Heinsius zich bij den President van het Hof vervoegde om hem het volgende mede te deelen De Staten hadden besloten om op het verzoekschrift van den Magistraat geene schriftelijke beschikking te geven in stede daarvan kwam hij Raadpensionaris mondeling de meening der Staten aan den President mededeelen En die meening was dat de Substituut Schout ten spoedigste voorloopig op vrije voeten moest worden gesteld onverminderd de actie die het Hof tegen hem mocht hebben De Raad pensionaris verlangde verder dat de President het Hof ten spoedigste zoude bijeenroepen opdat het ontslag van den Onder Schout uit de gevangenis met den meesten spoed zoude worden bevolen De President riep den volgenden ochtend het Hof in buitengewone zitting bijeen en hierin werd besloten aan het verlangen der Staten te gehoorzamen De Commissarissen der Rol gingen terstond begeleid door den griffier naar de Voorpoort alwaar zij den Substituut Schout ontsloegen onder voorwaarde dat hij steeds bereid zoude zijn om voor den Hove te verschijnen wanneer hij daartoe werd opgeroepen voorloopig moest hij ook de kosten zijner detentie betalen. De Staten van Holland hadden zich door de mondelinge boodschap van den Raadpensionaris nu wel op handige wijze een lastig vraagstuk van den hals geschoven maar zij hadden geen der partijen tevreden gesteld en zij konden verwachten dat zij bij de eerste gelegenheid weer voor dezelfde vraag zouden worden gesteld maar dan zou ook de uitkomst opnieuw leeren dat de Staten zich niet lieten dwingen tot het geven van een beslissing wanneer zij die niet wenschten te geven In den nacht van 18 op 19 October 1699 werd een kleermakersgezel Laurens van Overbeeck in een twist in het Voorhout doodgestoken De Onder Schout die s morgens vroeg ter plaatse kwam deed het lijk opnemen en onder den toren brengen niettegenstaande de om standers hem opmerkzaam maakten dat er al iemand naar den Drossaard was geloopen om dezen te roepen Het lijk werd onder den toren ten overstaan van den Baljuw en twee Schepenen door de geneeskundigen van den Magistraat geschouwd.
Here follows “Struggle in The Hague. »

*Pensionaris Heinsius was at the time the most important figure in Hollande’s life, and probably in the Republic. This means that the affair, despite its appearance as a local squabble, threatened to inflame the entire political class…